terug

Gevelstenen en poort van de Vleeshal, Botersloot (1619-1621)

Verhaal

De Botersloot werd in de vijftiende eeuw overkluisd en liep vrijwel parallel aan de Binnenrotte door het oostelijk deel van de landstad. De Botersloot dankt zijn naam aan de zuivelproducten die met schuitjes over de Rotte werden aangevoerd naar het aan de sloot gelegen Boterhuis in de stad.

De uit 1619 daterende Vleeshal lag aan het meest zuidelijke deel van de Botersloot dat de Huibrug (Huidenbrug) heette. De vleeshouwers ook wel beenhakkers (slagers van rund- en schapenvlees) genoemd en hadden zich verenigd in St. Bartolomeusgilde dat in 1467 voor het eerst wordt genoemd. De keurmeesters van het gilde controleerden de kwaliteit van het binnengebrachte vlees. Het was namelijk niet geoorloofd om vlees direct uit de woning of van de slachtplaats te koop aan te bieden. Dit mocht alleen op de vleesmarkt of in de stadsvleeshal gebeuren. Vers vlees kon alleen op de dag van de slacht worden verkocht, ´s winters soms een dag later, gezouten vlees daarentegen kende die beperking niet. De vleesverkoop vond tot 1621 plaats aan de achterzijde van het stadhuis aan de Kaasmarkt. Drie jaar eerder werd begonnen met de bouw van de Vleeshal. Voor de nieuwbouw van de Vleeshal zijn enkele panden aangekocht en gesloopt waaronder het Oude Vrouwenhuis dat in 1455 was gesticht door de schepen Daem Janssen Stoppelmans. Het stadsbestuur stelde voor een nieuwbouw voor het Oude Vrouwenhuis, ook wel St. Elisabeth gasthuis geheten, grond beschikbaar aan de oostzijde van de Hoogstraat.

De vrijstaande Vleeshal had een langwerpige plattegrond met een lengte van bijna 50 meter. De hoogte van het pand varieerde tussen de 5,25 en 4,25 meter. Op de begane grond stonden houten uitstaltafels voor de keuring en verkoop van het vlees. Op de verdieping erboven waren drie ruimten waar de gildebroeders bijeenkwamen. De huisbewaarder woonde op de tweede verdieping. Het lage achtergebouw had nog een verdieping met verschillende ruimten voor onder andere brandstofopslag en kantoor.

Voorgevel van de Vleeshal

De Vleeshal was in Hollandse renaissancestijl gebouwd. Kenmerkend zijn de bakstenen gevel met op regelmatige afstand speklagen van natuursteen en de bekroning met een eenvoudige trapgevel. De kruisramen zijn aan de bovenkant versierd met natuurstenen blokjes. Tussen de twee ramen op de eerste verdieping bevond zich een gevelsteen met een afbeelding van een poortgebouw en het stadswapen van Rotterdam. In vrijwel alle overheidsgebouwen werd het stadswapen in de gevel verwerkt. In de opengewerkte bekroning bevond zich een luiklok. Het dubbele ingangsportaal dat precies in het midden van de gevel lag was rijk versierd met beeldhouwwerk waarvan de motieven betrekking hebben op het vleeshouwersgilde. Direct hierboven was een gevelsteen geplaatst met daarop een man die een rund naar de slacht voert. De zijgevels aan de Botersteeg en de Vrouwensteeg hadden respectievelijk twaalf ijzeren kruisvensters die samen met de vensters in de voor- en achtergevel voor voldoende licht in het gebouw zorgden. De achteruitgang van het gebouw kwam uit aan de Lombardsteeg.

Voorgevel van de Vleeshal

In het begin van de achttiende eeuw werd het gebouw aan de voorzijde verbreed met een aanbouw met daarin een trappenhuis waardoor de verdiepingen beter bereikbaar werden. In 1835 werd de trapgevel vanwege de slechte staat vervangen door een achteroverhangend dakschild. In 1866 is de Botersloot gedempt en enkele jaren later werd ondanks de vele protesten de hal gesloopt en door nieuwbouw in een neo-stijl vervangen. Voorgevel van de Vleeshal

De nieuwbouw is vervolgens in gebruik genomen door de Telefoondienst. In 1930 werd het telefoongebouw vergroot. In 1932 werd de sedert 1906 bestaande zuidelijke voorgevel gesloopt. De vleeskeuringen vonden inmiddels plaats op het in 1883 aangelegde abattoirterrein in Crooswijk.
Overigens is op de kadastrale kaart van 1832 aan de Binnenwegse poort een kleine Vleeshal te lokaliseren, over dit gebouw is echter niets bekend.

ReactiesVerhaal Mensen Verwant Naslag Streetview