terug

Gevelsteen van Dominicaner Klooster, Hoogstraat (1565)

Verhaal

Een grote stadsbrand legde in 1563 het zuidoostelijke deel van de stad in as. Naast ongeveer 250 huizen, Het Heiligegeesthuis, de Hoofdpoort, de Oostpoort en 60 schepen brandde ook het Dominicaner klooster bijna volledig uit. De steen met de inscriptie uit 1565 herinnert waarschijnlijk aan het gereed komen van de herbouw van een van de gebouwen van het klooster.

Dominicaner klooster

De aanwezigheid van de Dominicaner broeders, ook wel Predikheren genoemd, in Rotterdam dateert van rond het einde van de veertiende eeuw. De Rotterdammer Jan Dircksz. kreeg in 1393 toestemming van hertog Aelbrecht om een kapel met gasthuis of klooster te stichten. Het werd een termijnhuis met een kapel op de hoek van de Meent en Lombardstraat. Hier konden de broeders Dominicanen studeren en verblijven als ze in de stad kwamen preken. In 1417 was de kapel, de latere Sint Sebastiaanskapel, in bezit van het Haagse klooster die het gebouw 50 jaar later verkocht aan de stad. In de tussentijd was al begonnen met de nieuwbouw van wat het grootste klooster van Rotterdam zou worden. De Bourgondische hertog Philips de Goede steunde de bouw en wordt zelfs als stichter genoemd; in 1448 keurde de Paus de stichting goed. Het klooster, gewijd aan de Heilige Drievuldigheid lag aan de noordkant van de Hoogstraat en werd opgeleverd in 1449; het was daarmee het oudste klooster van de stad.

Het klooster bestond uit een winter- en een zomereetzaal, grote kelders, ruime verblijven, kloosterkerk, brouwerij, en een tuin met boomgaard en visvijver. Het complex bood plaats aan 100 leden.
Met de brand van 1563 ging vrijwel alles verloren. Dankzij giften van koning Philips II, het weversgilde en anderen kon worden begonnen met de herbouw. Op de plaats van de sacristie kwam een kleine kapel te staan en in de kapittelkamer kwamen vijf cellen voor de vijf overgebleven broeders. De herbouw ging echter niet voorspoedig en in 1572 was het hoofdgebouw pas provisorisch herbouwd, ruim drie jaar later werd het voormalig klooster in gebruik genomen als Gasthuis. In 1578 besloot het stadsbestuur, sinds de reformatie van 1572 eigenaar van alle kloosters en hiermee verwante kerkbezittingen, om de rest van het oude kloosterbezit te verkopen. Nog eens tien jaar later werden de erven aan het Achterklooster geveild. In 1596 werden op de fundamenten het pest-en dolhuis gebouwd, in 1622 het vrouwen- en mannenhuis en in 1633 het geschuts-of giethuis en tenslotte in 1681 de nieuwe Oosterkerk. In 1940 zijn deze gebouwen verloren gegaan door het bombardement.

ReactiesVerhaal Verwant Naslag wiki Streetview