terug

Steen van Donkere of Bergse Sluis (1600-1700) en de Keizerinnesluis (1563)

Verhaal

In verband met de spoorwegwerken sloot de gemeente met de Staat in 1868 een contract betreffende de demping van de Binnenrotte en het buiten gebruik stellen van de uitwateringssluizen, te weten de Keizerinnesluis, de Dubbele Sluis (bestaande uit de Bleiswijksche en Zevenhuizersluis) en de oostelijke Segwaardsche Sluis, de Donkere of Bergse Sluis en de Kralingse of Oostersluis.

Donkere sluis aan de Hoogstraat

De sluizen werden vervolgens door een muur onder de Hoogstraat dichtgemetseld en binnendijks met zand gevuld. In de muur mondde een spuileiding uit waarmee bij vloed water kon worden binnen gelaten tot doorstroming van de riolen. Toen omstreeks 1904 dit gedeelte van de Steiger werd gedempt, raakten deze spuileidingen buiten bedrijf. De deuren van de vijf sluizen zijn toen niet verwijderd: de later teruggevonden deursluizen waren nog beweegbaar.

Een jaar later kwam bij de demping van Steigersgracht de steen uit de Donkere of Bergse sluis tevoorschijn en is toen via het stadstimmerhuis aan het museum overgedragen. In 1821 had een fabriek-landmeter van Schieland bij herstelwerkzaam de steen gedocumenteerd. Toen is vastgesteld dat er zich twee scheidingsstenen in de sluis bevonden een met het opschrift: "Tot hier toe maekt Schieland het regt staande muurwerk" waarmee aangegeven werd dat dit deel door het hoogheemraadschap moest worden onderhouden. De verblijfplaats van deze steen is niet bekend. Uit de tekst van de andere scheidingssteen "Dit verwulf moet voor rekening van dese stadt gemaakt en onderhoude werde op schielandts reghstaande metselwerk voor van de kay tot aan de stoep van de huysengen" is het volgende op te maken: dat de stad Rotterdam de kosten moet dragen het onderhoud van dit deel van het verwulf [overwelfde sluis] van kade tot de stoep van de huizen. De hier beschreven overwelfde sluis lag even ten oosten van de Lamsteeg. Haar naam ontleent ze aan het ambacht Hilligersberg dat in de periode 1485-1870 voor 60% onderhoudsplichtig was samen met de ambachten Rubroek en Zestienhoven / Oude Dijk die voor respectievelijk 30% en 10% van de kosten moesten opdraaien.

Aan het begin van de vijftiende eeuw maakt het oudste keurboek van Schieland al melding van de sluis. In dit keurboek van het hoogheemraadschap -dat gedateerd wordt tussen 1405 en 1439- zijn artikelen opgenomen die betrekking op de Rotterdamse sluizen hebben. Deze artikelen gaan over de bescherming, de controle en het functioneren van de sluizen. De sluisdeuren sloten vanzelf bij hoogwater in de Maas en voorkwamen zo overstromingen in de binnenstad.

Niet alleen de bouw van het luchtspoor bracht de sluizen weer onder de aandacht; dat gebeurde ook na het bombardement van mei 1940. Twee jaar nadat het grootste deel van het puin geruimd was begon de Dienst Wederopbouw Rotterdam (DIWERO) met het onderzoek naar de resten van de sluizen. De gegevens zijn in opmetingstekeningen en glasnegatieven vastgelegd. Toen is ook een fundatiesteen met het jaartal 1563 in het museum gekomen. Uit 1563 is een rekening bekend voor herstelwerkzaamheden; kennelijk is ter herinnering hieraan deze jaartalsteen in de overkluizing aangebracht.

ReactiesVerhaal Verwant Naslag Streetview