terug

Gevelbeeld van poortje Oude Vrouwenhuis, Hoogstraat (1901)

Verhaal

In 1805 stond er een houten beeldje van een oude vrouw op de poort van het Oude Vrouwenhuis. De zoon van de beeldhouwer Frieswijk vernieuwde het in 1832. In 1887 verkeerde het gepolychromeerde beeld in zo´n slechte staat dat het bestuur van het Oude Vrouwenhuis opdracht gaf aan beeldhouwer C. L. de Grave om een stenen beeld te maken. Later is dit beeld voorzien van een koperen plaatje met daarop de tekst "Dit steenen beeld stond sedert nov. 1887 op de poort van het vroegere gebouw a/d Hoogstraat no. 89…".

Poortje van het Oude Vrouwenhuis
Hieruit blijkt dat de stichting van het oude Vrouwenhuis het beeld heeft meegenomen bij de verhuizing van 1895 naar de Oudedijk in Kralingen. Kennelijk viel dat niet in goede aarde bij de Rotterdamse bevolking en is besloten een cementen afgietsel van het beeld te laten maken. Simon Miedema (1860-1934) zou in 1901 het natuurstenen beeldje twee keer hebben afgegoten. Een exemplaar is in 1914, kort na de sloop, in het museum terechtgekomen; het andere zou bij de Elisabethstichting moeten zijn. Het beeld van het oude vrouwtje met in de ene hand een wandelstok en in de andere de bijbel kreeg in de volksmond de koosnaam 'Kaatje'; geen verwijzing overigens naar Kaat Mossel.

Het Oude Vrouwenhuis in Rotterdam ontstond in 1455, het eerste gebouw stond aan de Lombardstraat en is gesticht door de schepen Daem Janssen Stoppelmanszn. Hij droeg het Oude Vrouwenhuis op aan de almachtige God, de allerheiligste maagd Maria, de heilige apostel Johannes, en Anna de moeder van Maria. Het beheer was in handen van de schout Jan Willemsz. Die dit in 1481 overdroeg aan de hoofdman van het St. Jacobsgilde -het weversgilde. Vier jaar later waren de hoofdmannen van het St. Nicolaasgilde verantwoordelijk voor het beheer. In 1485 sprak men al van het St. Elisabeth gasthuis of zusterhuis en korte tijd later komt ook de naam Oude Vrouwenhuis voor. Na de Reformatie heette het gasthuis het Gereformeerd Oude Vrouwenhuis. Ook kwam de naam Kamer 17 -naar het aantal bewoners- voor.

Het eerste gebouw moest in 1619 wijken voor de nieuwbouw van het Vleeshuis. In dat jaar werd een gedeelte van het Vrouwenhuis en woningen afgebroken; de bewoonsters moesten zich behelpen tot er een nieuwe locatie was gevonden. Nog even bedacht men om het Oude Vrouwenhuis te vestigen in het door de stad aangekochte Hof van Bulgersteyn, maar dat ging uiteindelijk niet door. Pas in 1622 is er een nieuw tehuis gebouwd naast het Gasthuis aan de Hoogstraat op het braakliggend terrein van het afgebrande Dominicaner klooster. Hier werden twaalf huisjes, een poortgebouw en een hoofdgebouw neergezet voor het bedrag van 10.000 gulden. Het poortgebouw met gevelbeeld lag aan de Hoogstraat; de overige huisje lagen hierachter aan het Vrouwenhuisgang, dat van de Hoogstraat naar het Achterklooster liep. In 1662 zijn de zes huisjes geteld vanaf het Achterklooster geruild met acht huisjes aan de Pannekoekstraat die later voor de Nieuwe Markt zijn afgebroken. Dankzij een legaat uit 1783 van de schepen Nicolaas Baartmans werd het oude hoofdgebouw vernieuwd. Volgens geschiedschrijver en architect J. Verheul zou de architect Jan Giudici de bouw hebben geleid.

Het Oude Vrouwenhuis werd bestuurd door regenten en de dagelijkse leiding lag bij de huismoeder. Volgens het reglement uit 1572 hadden de vrouwen recht op één maaltijd per dag met vis of vlees. De vrouwen werden geacht acht pond vlas per jaar te spinnen en de helft van hun inkomsten "buyten te spinnen van de guede lieden winnen zullen, tot proffyt van ´t voorseide huys inbrengen sonder bedroch". Om de orde te bewaren mochten de vrouwen niet kibbelen en kijven tegen de huismoeder en tegen elkaar en moesten ze de regenten gehoorzamen. Het Oude Vrouwenhuis bood plaats aan zes proveniers; zij kochten zich in en betaalden een jaarlijks bijdrage, de zeventien gebeneficiëerden betaalden eenmalig een inkoopsom. De vrouwen werden geacht bij hun overlijden hun vermogen na te laten aan de stichting.

Om een betere verkeersdoorstroming van de Hoogstraat naar de Goudsesingel te bewerkstellingen, werd in 1898 besloten om onder andere het poortje en een naastgelegen zeventiende eeuws pandje te slopen. In 1895 was het Oude Vrouwenhuis al verhuisd naar de buitenplaats "Vredehof" aan de Oudedijk. Omdat het aantal inwonenden sterk afnam, werd in 1927 het pand aan de Oudedijk verkocht. De opbrengst was te gering om een nieuw pand te bekostigen en daarom is de winst toegevoegd aan het kapitaal van de stichting. Pas in 1955 betrok de Elisabethstichting een nieuw pand aan het Prinses Beatrixplantsoen; in 1968 is dit gebouw nog eens uitgebreid.

ReactiesVerhaal Verwant Naslag Streetview