terug

Remonstrantse kerk, Vissersdijk

Remonstrantse kerk, Vissersdijk

De Remonstrantse Kerk achter het Westnieuwland en de Vissersdijk.

In 1631 kwam er meer bewegingsvrijheid voor de remonstranten. Er ontstaat verlangen naar een eigen onderkomen. In 1630 wordt door het stadsbestuur nog nieuwbouw afgewezen omdat de te bouwen kerk aan de openbare weg (op de Blaak) was gepland. Dat zou te opzichtig zijn. Men zocht dus een plek uit het zicht. Die werd gevonden: achter het Westnieuwland en de Vissersdijk was een op een binnenplaats een brouwerij annex mouterij gevestigd. Er waren vanaf die plek drie uit- of toegangen: eentje naar Westnieuwland en twee naar de Vissersdijk.
In maart 1632 werd het pand van brouwer Van Wielick gekocht en begon de bouw. Vermoedelijk is het fundament en het opgaand werk van het gekochte pand  zoveel mogelijk gebruikt. Alleen het dak is verhoogd. Eind 1632 is de kerk gebruiksklaar. Afwerking is nog wel nodig, maar de eerste dienst kan worden gehouden.
De toeloop was enorm; regelmatig moest er voor de viering naast de kerk nog een pakhuis of loods worden gehuurd, en zelfs dan moesten er nog mensen worden teleurgesteld. Uiteindelijk besloot men in 1645 pal naast de kerk nóg een kerk te bouwen, maar wel een stuk kleiner. Zo stonden er naast elkaar twee kerken. Die kleine kerk is in 1850 afgebroken, na tot 1824 als kerk te hebben dienstgedaan.
In de 17e eeuw was zo'n 15% van de bevolking  Remonstrants. In de 18e eeuw was sprake van een drastische daling en het dieptepunt werd in het eerste kwart van de 19e eeuw bereikt. Toen waren er nog maar 523 leden. Later, aan het eind van die eeuw, waren het er weer zo'n 2400.

Het pand
Binnenwerks was de Grote kerk 18,5 bij 22 meter. De hoogte was 13,5 meter. Rond het middenvak van 12 bij 13,3 meter waren langs west-, noord- en oostzijde twee galerijen boven elkaar gebouwd van elk 5 meter diep.  Er was plaats voor duizenden mensen.
Aan de zuidzijde was de kansel geplaatst, met aan weerszijde twee grote ramen en daartussen, dus boven de kansel, een rond raam, een zogenoemd rozetvenster. Aan weerszijden van de kansel waren (iets verhoogd) banken tegen de zuidmuur geplaatst waar de ouderlingen zaten. Het doophek, het houten hekwerk dat de dooptuin (de ruimte rondom de preekstoel) omsluit het preekstoelgedeelte. De vloer bestond uit blauwe plavuizen.
Oorspronkelijk waren er geen stoelen, de dienst werd staande geconsumeerd. Wel werden in 1639 banken voor oud-ouderlingen en oud-diakenen geplaatst. Al gauw echter kwamen er meer verzoeken tot (betaalde)  zitplaatsen. Die werden toegewezen, op voorwaarde dat men zijn eigen stoel meenam. In de eerste helft van de 18e eeuw worden door de kerk stoelen aangeschaft. Achter de kerk werd een kerkekamer gebouwd, in feite niet meer dan een heel klein gebouwtje, bestaand uit een begane grond en een pannendak erop.
Na nogal wat strubbelingen tussen rekkelijken en preciezen werd uiteindelijk in 1665 een orgel gekocht. Het was een tweedehandsje uit een kerk in Utrecht. Pas in 1787 wordt een spiksplinternieuw orgel in gebruik genomen. Dit wordt boven de kansel geplaatst. Het rozetvenster sneuvelde daarbij.

Het wel en wee van het pand
Er was bij de bouw een grote constructiefout gemaakt: door het ontbreken van een gedegen verband tussen de dragende delen werden al in 1680 de eerste meldingen van overhellen van het dak naar het westen opgetekend. In de loop der eeuwen volgden vele, vele reparaties.
Daar kwam bij dat de grond zeer drassig was. De kerk stond in feite op buitendijks terrein. Door het terrein liept het riviertje de Zijl, die via de Kolk in open verbinding stond met de Maas. Bij zeer hoge waterstanden werd het sluisje overspoeld en loosde de Zijl  haar overtollig water op het binnenterrein. Het Westnieuwland en de Vissersdijk werden in 1737 ook nog eens opgehoogd, waardoor het terrein relatief nog lager kwam te liggen. Er zijn in opeenvolgende eeuwen twaalf data bekend van ernstige overstromingen, waarbij de losse banken en stoelen zachtjes tegen de kolommen van de galerijen en muren klotsten. Zes daarvan deden zich voor in de tweede helft van de 19e eeuw. Oorzaak daarvan was de bouw van de Nieuwe Waterweg tussen 1866 en '72. Deze rechtstreekse verbinding heeft grote gevolgen gehad voor de invloed van de getijden in Rotterdam.
In de nacht van 22 op 23 december 1894 was het weer raak: de Zijl stroomde weer over. Het water stond tot 1.18 meter hoog in de kerk en daarbuiten tot 2.21 meter! Het zware doophek was uit de grond getild en dreef op het water. De kerkgangers durfden her gebouw nauwelijks meer in; men had geen vertrouwen meer in de veiligheid van het gebouw.
De daaropvolgende maand besloot de kerkeraad tot nieuwbouw. Het Stadsbestuur bood de kerk een ander terrein aan, op de hoek van de Westersingel en het latere Museumpark, omdat de Beurs vergroot moest worden om graanhandelaren en beurtschippers een plaats te geven. De Grote kerk werd in 1895 verkocht. De nieuwe Remonstrantse kerk werd in 1897 ingewijd. Deze staat er nog steeds.
De oude kerk werd niet meteen tegen de grond gewerkt; de Gemeente moest wachten op besluitvorming in de Raad over de plannen van de Beurs. In 1907 werd de kerk tenslotte gesloopt.

 

Tekst Paul Donselaar

 

Info ReactiesMensen Verwant Naslag Streetview