terug

Gevelsteen Verenigde Oostindische Compagnie Rotterdam, Boompjes (1695-1698)

Verhaal

De oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie dateert van 1602. De oprichters van de Rotterdamse kamer van de VOC waren Fop Pietersz. van der Meyden, Willem Jan Vrankensz. Van der Aa, Gerrit Huygensz. Visch, Pieter Lenertsz. Busch, Johan van der Veeken, Willem Jansz. van Loon, Jan Jacob Musch, Adriaen Cornelisz. Spierinck en Cornelis Matelieff de Jonge. Zeven bewindhebbers, bij de oprichting negen, bestuurden de kamer. Zes van de bewindhebbers kwamen uit Rotterdam en één uit Dordrecht. De bewindhebbers hadden veel personeel waaronder een opperboekhouder, kassier, onderboekhouders, klerk kamerbewaarder, twee pakhuismeesters etc.

In 1623 kocht de VOC een huis aan de zuidzijde van de Wijnstraat op de hoek met de Vissteeg, het erf strekte zich uit tot aan de Wijnhaven. De koopsom bedroeg het niet geringe bedrag van 21.750 gulden. Het onbebouwde gedeelte werd bebouwd met pakhuizen. In 1644 kocht de VOC ook nog eens het belendende pand erbij. Aan het eind van de zeventiende eeuw staat voor deze pakhuizen een wachthuis, eveneens in eigendom van de VOC. Vijftien jaar later voldeed de pakhuisruimte aan de Wijnstraat niet meer en kochten de bewindhebbers drie erven aan op de Punt van de Wijnhaven die werden volgebouwd met pakhuizen. Naast al die pakhuizen bezat de VOC een werf, over een breedte van negen erven, aan de Scheepmakershaven dat doorliep tot aan de Boompjes. In 1685 is de werf verplaatst tussen de Oostzeedijk en het Boerengat tegenover ´s Lands Werf van de admiraliteit.

VOC

Op 13 november 1690 besloten de bewindhebbers de panden aan de Wijnstraat te verkopen, maar ze werden pas in 1697 publiekelijk geveild voor 50.000 gulden. Op de plaats aan de Boompjes waar sinds het begin van de zeventiende eeuw de scheepswerven waren gevestigd, "tusschen de Groote Draaisteeg en het einde der Scheepmakershaven", werd in 1695 begonnen met de nieuwbouw voor de VOC. Bouwmeester was Wouter Adriaensz. Heijmont die een symmetrisch complex ontwierp van een hoofdgebouw, met een totaal oppervlak van 400 m2, met aan beide zijden twee poorten met hiernaast twee pakhuizen. Het hoofdgebouw was opgetrokken uit donker baksteen en voorzien van een zware houten gevellijst, afgedekt met een leien dak met daarop twee grote hoekschoorstenen. Een hardstenen trap met twee opgangen en een gesmeed stoephek gaven de eenvoudige gevel een zekere allure. Boven het balkon van de hoofdingang prijkte de gevelsteen. Het ornament met de dooreengestrengelde initialen VOCR met een kroon rustte op twee pilasters met kroonlijst. In de voorgevel zaten over vier verdiepingen verdeeld een groot aantal grote en kleinere kruisvensters die oorspronkelijk van houten luiken voorzien waren. In de achtergevel van het hoofdgebouw was op het binnenplein een gedenksteen die herinnerde aan de eerste steenlegging op 7 september 1695 door Josua van Belle, Heer van Groenswaarde, oudste zoon van een van de bewindhebbers.

VOC

In 1698 was de zijde aan de Boompjes geheel bebouwd; het terrein aan de achterzijde bleef nog onbebouwd. Om het gebied af te sluiten bouwde men een muur die van de oostelijk naar de westelijk gelegen pakhuizen liep. Dit omsloten erf werd pas in 1719 bebouwd en in datzelfde jaar werden ook de pakhuizen aan de Punt verkocht. In 1720 verhoogde timmerman Bos de twee pakhuizen naast het hoofdgebouw. Pas in 1861, lang na de opheffing van de VOC, werd er een achterpand opgetrokken naar het ontwerp van de architect J. Visser zodat de binnenplaats geheel door gebouwen werd omgeven. Naast deze locatie aan de Boompjes beschikte de Compagnie over een scheepswerf aan het Boerengat en een lijnbaan in de Baan.

VOC

Van Reyn beschrijft het gebouw als volgt: "ter wederzijde waren ruime kelder, en in het midden eene kleinere, het portaal of plein, dat men langs het hooge bordes binnentreedt, en een hoogte heeft van 17 voeten 4 duimen Rijnl., bij eene lengte van 37 voeten en eene breedte van 19 voeten 8 duimen, was met een ijzeren hek van de overige ruimte, die tot de achterdeur loopt, afgescheiden. Dit hoofdgebouw bevatte: de vergaderkamer der Heeren Bewindhebbers, een spreekvertrek en kantoor, en de verkoopkamer. Achter het groote huis tot aan het slagthuis lag de ruime open plaats. Tusschen de pakhuizen aan de oost- en westzijde werden gevonden: de ontvangerskamer, eene groote en eene kleinere charterkamer, de waschkamer, lijnwaad- , porselein- en foelijzolder. Aan de oostzijde: pakhuis, koffijzolder, equipagezolder, salpeterzolder garbelleurzolder en broodzolder; aan de noordzijde: het slagthuis, de zijdezolder en zeilzolder, en eindelijk aan de westzijde: het zouthuis, de theezolder, de vatenzolder, het voorhoutpakhuis, het binnenhoutpakhuis, de rijst-, suiker- en peperzolders. In de gezamenlijke gebouwen zijn, ten jare 1800, geteld vier en zestig deuren en driehonderd en twintig vensters."

In 1795 werd de Verenigde Oost-Indische Compagnie opgeheven. Het gebouw vervulde daarna nog verscheidene functies.
Met het bombardement van 1940 ging het complex verloren maar het fraaie maar loodzware VOC ornament is gespaard gebleven. De gevelsteen was doormidden gebroken en de twee helften moesten aan elkaar worden bevestigd en de ontbrekende ballen op de kroon worden aangevuld.

ReactiesVerhaal Mensen Verwant Naslag tekeningen Streetview