terug

Gevelbeelden Gereformeerd Burgerweeshuis, Goudsewagenstraat (1640-1763)

Verhaal

Het ontstaan

Waren er door het hoge sterftecijfer al veel wezen in de late middeleeuwen, ten gevolge van de (godsdienst)oorlogen en epidemieën werden dat er meer en meer, ook in Rotterdam. Natuurlijk waren er kinderen die door familie werden opgevangen, zeker als de kinderen een erfenis hadden, maar er waren heel erg veel kinderen in de stad die zich bedelend in leven moesten houden. Zij waren aanvankelijk volledig afhankelijk van de Christelijke naastenliefde en werden opgevangen en in leven gehouden door liefdadige instellingen ('Godshuizen' of gasthuizen), kloosters en kerken. Deze gasthuizen waren echter niet specifiek voor kinderen ingericht. Een echt weeshuis was er waarschijnlijk niet. Wel wordt in de bronnen rond 1540 in de Lombardstraat het 'Hillebrans weeshuys' vermeld.
Voor die kinderen die een erfenis hadden waren door de overheid wel voorzieningen getroffen. Allereerst door het graafschap, en sinds het midden van de 14e eeuw was die zorg overgedragen aan de familieleden, die dus als toeziend voogd de belangen van de wees behartigde. Daarbij kwamen blijkbaar nogal wat misstanden voor, waardoor geleidelijk een verschuiving plaatsvond: de zorg voor de wezen werd gaandeweg de 15e eeuw een zaak van de stedelijke overheid. Vanaf 1470 werden in de stad twee zogenoemde weesmeesters aangesteld. Deze weesmeesters hadden de materiële zorg voor de kinderen en stelde voogden aan, die zorgden voor kleding, voedsel, onderwijs en/of scholing. De voogd diende jaarlijks verslag te doen van de zorg. Het Stadsbestuur (aanvankelijk de burgemeesters) had de mogelijkheid bij gebleken ongeschiktheid de voogd te vervangen.
Het overgrote deel van de wezen had echter geen financiële middelen. De opvang en opvoeding van deze wezen lag buiten de taak van de weeskamer; deze geschiedde door uitbesteding op kosten van de stad. Oorspronkelijk werden de weeskinderen  geplaatst in het St. Anthoniusgasthuis, dat in 1437 door het St. Anthoniusgilde was gesticht. Het was een gasthuis voor de armen. Tussen 1560-1578 werd dit gasthuis in ieder geval als weeshuis gebruikt, want in 1561 worden in dit gasthuis twee meesters van de wezen genoemd. Het was gelegen aan de zuidzijde van de Hoogstraat, tegenover de Westewagenstraat. Het was een klein maar vooral ook slecht onderhouden pand, waar plaats was voor 28 wezen.
In 1578 verhuist het weeshuis naar het Witte Susterenhuis (Augustijnernonnen) aan de Westewagenstraat, dat sinds 1572 leeg stond. Hier konden zo'n 80 wezen ondergebracht. In 1598 tenslotte verhuist het weeshuis voor de laatste maal. De 106 wezen worden geplaatst in het gewezen Pest- of Dolhuis. Het weeshuis heet dan nog het Grote, Publieke of Stadsweeshuis. Vanaf de 18e eeuw wordt de naam Gereformeerd Burgerweeshuis, omdat diverse godsdiensten dan hun eigen weeshuis beginnen.

De plek

Op deze plaats was sinds 1482 het St. Anna-klooster van de Karmelietessen gevestigd. In 1555 verlieten zij het klooster. Het werd het jaar daarop het Pesthuis. Uiteindelijk week het Pesthuis uit naar buiten de stad. Het gebouw, gelegen aan de Goudsewagenstraat werd in 1598 betrokken als weeshuis. Tot aan 1940 bleef het weeshuis, later Gereformeerd Burger Weeshuis, hier gevestigd. Tijdens het bombardement werd het weeshuis zelf niet getroffen, maar is het complex door de ontstane branden wel in de as gelegd.
 
Het pand

Om de wezen te kunnen vestigen werd het pand na aankoop in 1598 voor Fl. 12.000,- verbouwd. Het geld kwam voor een deel uit de opbrengst van de verkoop van het Witte Susterenhuis. Door de flinke toename van het aantal weeskinderen werd het pand in de daarop volgende eeuwen diverse malen uitgebreid. De eerste aanbouw  was aan de Goudsewagenstraat in 1604. Later zijn de westzijde (1663), de noordzijde (1669) en de zuidkant (1689) aangepakt. Langzaam maar zeker werd door diverse grote bebouwingen het weeshuisterrein ommuurd. In 1764 heeft de laatste grote verbouwing plaatsgevonden: de oostkant aan de Goudsewagenstraat kreeg zijn definitieve vorm.
Het was een groot complex, in trapeziumvorm. De oostzijde aan de Goudsewagenstraat (de hoofdingang) had een lengte van 64 meter, de achterzijde aan de Walensteeg 85,5 meter. De noordzijde aan de Vest was 59,90 meter en de zuidzijde 48,5 meter. Het was niet voor niets zo groot; er waren heel wat wezen die moesten worden gehuisvest. Een klein staatje van het aantal ondergebrachte wezen in de loop der eeuwen:

1598 106
1623 250
1675 600
1722 460
1781 285
1796  414

 
Na de laatste grote verbouwing in 1764 zag het pand er van binnen als volgt uit:
er waren slaapzalen en speelkamers voor de jongste kinderen en slaapzalen en eetzalen voor de ouderen. Jongens en meisjes werden strikt van elkaar gescheiden werden, dus alle bovengenoemde voorzieningen waren zowel voor jongens als meisjes aanwezig, evenals de ziekenzalen. Er waren twee grote binnenplaatsen; één voor jongens, één voor meisjes, gescheiden door een muur. En voorts verschillende klaslokalen, strafhokken voor jongens en meisjes etc.
Daarnaast waren er linnen- en wolkamers, een mangelkamer ( wasgoed door twee cilinders halen om ze kreukvrij te maken), een kleermakerij, schoenmakerij, strijkzolder, een kledingvoorraadkamer, naai- en breikamers, een lapzolder voor te repareren kleding, een slachthuis (eind 18e eeuw), provisiekamer, bakkerij, broodkamer en allerlei opslagzolders en -kelders voor kaas, groenten en fruit en voor minder bederfelijke waar als bonen, meel, erwten, aardappelen en boter. Het weeshuis was in hoge mate zelfredzaam.
Voor het personeel waren er gescheiden eetkamers en verblijfs- en slaapkamers, werkplaatsen, het verblijf van de schoolmeester, het kantoor en de woning van het directeursechtpaar ('vader' en 'moeder' geheten) en de regenten- en regentessenkamer.

Het beeldhouwwerk aan de gevels

De ingangen aan de straatkant en die op de binnenplaats waren voorzien van beeldhouwwerk, waarbij die van de binnenplaats ruimte boden voor de wapens van regenten en regentessen uit de verschillende bouwperioden.
De hoofdingang, gebouwd in 1763, stelt twee gebeeldhouwde levensgrote figuren voor, voorstellende een weesjongen en een weesmeisje, die een grote draperie in de vorm van een wapenmantel ophielden, waarop een toepasselijk dichterlijk opschrift van Jakob Kortebrant:

D'Opvoeding, wakkre vlijt, beknopte zuinigheid,

Lees- schrijf- en rekenkunst en 't noodig huisbeleid,

Beschaven hier 't vernuft der arme burgerweezen.

De mededeelzaamheit verschaft hun onderstand.

De Godsvrucht wijst hun 't pad naar 't hemelsch vaderland.

Daar nimmer drukkend kruis of armoed is te vreezen.

Der weezen vader koom' dit heilzaam werk te baat,

Dan houd het weeshuis stand zoolang de weereld staat.


Beelden hoofdingang  Johannis de Graeff  (1763)

De binnenplaats had veel beeldhouwwerk, bij de ingangen van de jongens- en meisjesslaapzalen, de keuken, het speelvertrek van de kleintjes, de schoolingang en de toegang tot de hal naar de Goudsewagenstraat.
In het midden van de Jongensplaats was boven een van de boogvensters een reliëf geplaatst van twee jongens, en op de Meisjesplaats boven de schoolingang een reliëf van twee meisjes.
    
Overblijfselen van het beeldhouwwerk boven de ingangen van de meisjes- en jongensslaapzaal, Pieter Rijckx ( 1664). Rijckx is tevens maker van het beeldhouwwerk aan het Schielandshuis (± 1665) en van het praalgraf van Witte de With in de Laurenskerk (1669).

Keuken binnenplaats Pieter Strengh (1689)
Boven de deur van de keuken waren een weesmeisje en -jongen afgebeeld, met in het cartouche de spreuk:
Die d'arme wees om Christus wil
Weldadigheden gaat betoone
Zal God om d'arme wees en wil
Met veele zegeningen kroone

Boven de deur van de kinderzaal was ook een afbeelding van een weesmeisje en -jongen, met in het cartouche:
De suivere ende onbevleckte
Godsdienst voor God ende
Den Vader is deeze: weesen
Ende weduwen besoecken


 

ReactiesVerhaal Mensen Verwant Naslag Streetview